Van diagnosejunkie naar mezelf

“Over een tijdje krijg ik wellicht kinderen. Dan val ik onder het noemertje ‘moeder’. Gaat iedereen zijn ideeën projecteren over wat dat inhoudt: moeder-zijn.” Ik spreek Lotte via Skype. Jaren terug ontmoette ik haar op de open dag van de opleiding waar ik dit jaar ga afstuderen. “Maar, ik ben helemaal geen ‘moeder’!” vervolg ik mijn verhaal. “Ik val niet in dat hokje. En daarnaast, wil ik wel kinderen? Of denk ik dat omdat iedereen om mij heen op den duur kinderen wil?” Lotte luistert alleen maar. Ze kijkt een beetje afzijdig naar de enorme teddybeer van haar kamergenote terwijl ze verbanden probeert te leggen in haar brein. “Hier raak je volgens mij wel de kern,” zegt ze plots. “Jouw struggle om moeder te worden is misschien dezelfde strijd om jezelf wel of niet in een hokje te plaatsen. Je probeert jezelf in een nieuw hokje te plaatsen omdat je bang bent zonder hokjes te leven.” Die komt binnen. Ga ik nu, na al die jaren zoeken, eindelijk toegeven dat ik niet in een hokje pas?

Ik ben iemand die vele jaren geprofiteerd heeft van deze hokjesmaatschappij. Het leven begon namelijk wat onwennig. Vallend en weer opstaand – zowel figuurlijk als letterlijk – heb ik geleerd hoe de maatschappij werkt. Geboren in een onveilige gezinssituatie was ik op jonge leeftijd op mijzelf aangewezen. Ik begreep daardoor al vroeg het chaotische aspect van het bestaan. Vreemd was voor mij de gestructureerde, conformistische vorm van de maatschappij. Leraren en familieleden noemde mij gezellig, maar druk. Hyperactief. Ik wiebelde op mijn stoel. Viel van mijn stoel. Liep door de klas. Probeerde naar buiten te klimmen. Sociale etiquette leerde ik op latere leeftijd dan de meesten, maar ik kon dit goed verbloemen door in de tussentijd gedrag te kopiëren wat geaccepteerd werd. Maar, ik bleef een ongeremd projectiel: emoties voelde ik in volle hevigheid en waren alomvattend en ongecontroleerd. Volgens mijn moeder liep ik in duizend sloten tegelijkertijd. “Geef toch eens wat minder gas,” zei ze als ik weer eens mentaal en fysiek was uitgeteld. “Dat kan ik niet!” gilde ik terug, zowel als peuter als jongvolwassene. In de zoektocht mijzelf te begrijpen greep ik als tiener vast aan wat het meest voor de hand liggende was: hokjesdenken. De meerderheid noemde me een ADHD’er, dus dat zou ik dan ook wel zijn. Ik werd geobsedeerd door diagnoses. Ik moést en zou een label krijgen. Zo’n fijn, gestructureerd hokje. Keer op keer kreeg ik een diagnose waar ik volgens de hulpverlener bijna, maar toch niet helemaal in paste. Dan ging ik naar de volgende hulpverlener en vroeg om een nieuwe diagnose. En nog een. Ik verzamelde honderden papieren met diagnoses & rapporten en stopte deze netjes in mapjes. Ik greep alles aan om te begrijpen wie ik was. Dan had ik weer ADHD. Of toch ADD? De volgende dag was ik manisch-depressief. Een tijdje was ik borderliner. Autistische kenmerken bleek ik ook te hebben. Iets van OCD bespeurde de GGZ een jaar later. Een posttraumatische stressstoornis scheen ook een tijdje op mij van toepassing. Hooggevoelig dan wel hoogsensitief. Iedere zorgverlener kon me weer in een nieuw hokje plaatsen waar ik op mijn beurt mee kon pronken waar nodig. Noemde jij me ‘druk’, dan antwoordde ik vrolijk: “Klopt. Ik heb ADHD.” Bij elke nieuwe diagnose las ik mij in. Zodoende vertoonde ik zelfs gedrag dat bij het labeltje paste, maar wat wellicht niet bij mij hoorde. Ik identificeerde me als het ware met het labeltje. Werd dé ADHD’er. Ik bleek heel goed in het zíjn van zo’n hokje. Om mijn heftigheid aan emoties te onderdrukken, nam ik graag hetgeen wat voorgeschreven werd. Op mijn 12e was dat Ritalin, op mijn 14e Prozac. Zoals de Fisherman-reclame zegt: “Sterk spul, hè?” Ik bleek een expert in hokjesdenken, tot op een dag alles veranderde. Dat was de dag dat ik hoorde dat ik helemaal niet in bovengenoemde hokjes paste. In plaats van een diagnose kreeg ik een uitslag die zowel ik, als de zorgverlener niet vaak vernamen. “Deze uitslag komt zelden voor,” zei de psychiater. “U bent volledig en volkomen, normaal.” Plots, bleek ik hokjesloos.

Ik geef toe: ik heb genoten van de privileges die komen bij het hebben/zijn van een mentale ziekte. Mijn laatste psychologe ontkende bewust het bestaan van al de diagnoses, omdat ik daarmee de verantwoordelijkheid voor mijn eigen leven ontnam. Touché. Mijn identiteit, die ik ontleend had aan mijn mentale ziektes & mijn verleden, brokkelde af. “Je bent gewoon Nienke,” vertelde mijn toenmalige, prille liefde. “Vind je me dan niet druk? En chaotisch? En irritant?” vroeg ik hem. Hij antwoordde van niet. Vorige week vroeg ik hem jaren na dato dezelfde vraag, ditmaal tussen de zoekende boeren en vrouwen door. “Je bent nog steeds Nienke,” zei hij alleen maar en keek verder naar Yvon Jaspers op televisie.

Skypen met Lotte, die zich aan de andere kant van de oceaan bevindt, laat me wederom realiseren dat mijn zoektocht naar hokjes echt klaar mag zijn. “Je hebt gelijk,” vertel ik haar. “Ik ben inderdaad bang om zonder een hokje te leven. Ik zocht de afgelopen jaren dan wel niet meer naar mentale stempels, maar wel naar andere labels. Zoals het moederschap.” Het is een opluchting om dit toe te geven. Maar het beangstigt me ook. Want, als ik geen hokje ben, wie ben ik dan?

Meer lezen? Bekijk dan eens het interview met Prof. Dr. Jim van Os  die wel een heel interessante kijk op de GGZ heeft….

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s