Schrijvend zelfinzicht

Om geïnspireerd te blijven, heb ik mij aangesloten bij een schrijfclubje. Deelnemer C. verzon vorige keer deze thuiswerkopdracht:

Ga in een bestaande tekst uit een boek, tijdschrift, krant, etc. op zoek naar een prachtige volzin – een zin die je raakt, ontroert of misschien wel een geluksmoment teweegbrengt. Ga met deze zin aan de slag, hak hem in stukjes, maak hem kernachtiger, maar zo dat er een gedicht ontstaat met dezelfde ontroering en dezelfde trefzekerheid als de oorspronkelijke volzin. Het rijmschema is vrij. Succes!

Sorry, C. Ik heb me niet helemaal aan jouw opdracht gehouden, maar ik heb genoten van een prachtige volzin deze week en daarin wel een nieuwe levensvraag ontdekt!

De binnenwereld is bij hun een braakliggend, onontgonnen terrein, waar ze zich niet de moeite voor nemen om aan te werken. Een berg vruchtbare modder, die erom vraagt geschoffeld te worden zodat de lotusbloemen eindelijk kunnen bloeien. Ik reik ze een schop aan, tot mijn verbazing lukt het hen niet om deze te aanschouwen. Het lijkt wel alsof ze dusdanig geconditioneerd zijn dat ze enkel een schop uit de buitenwereld kunnen accepteren. Waarschijnlijk omdat die schop concreet is en bovenal, tastbaar. Zij erkennen alleen de tastbare schop en de tastbare modder die uit tastbare materie ontstaan zijn. Dat is modder die niks met hun eigen modder te maken heeft. Ik reik ze niks tastbaars aan, maar juist het symbolische en hypothetische geluid van de binnenwereld. Een niet-tastbare schop en hun eigen niet-tastbare aarde. En ik meen dat ze het geluid van deze schop even kunnen horen: hun lichaam veert op alsof ze het begin van een Tibetaanse singing bowl horen. Maar ze luisteren niet écht. Hun buitenwereld smeekt om het geluid in een hokje te mogen plaatsen, om de ervaring om te kunnen zetten in gesproken taal. Het zoemende geluid neemt in een rotvaart af. Ik zie het geluid weerkaatsen in hun oren. Ik zet mijn oren open om zodoende het geluid op te vangen, zodat het niet verloren gaat in de buitenwereld. Het geluid van de schop is welkom in mijn binnenwereld: een kakofonie aan geluiden en felle kleuren; een plek waar het vredig chaotisch en daardoor ontzettend geordend is. Ik heb genoeg aan die plek om mij te kunnen verhouden tot beide werelden. Ik wil hen zo graag de sleutel geven tot hun eigen terrein zodat er bloemen kunnen ontstaan. Maar het lijkt wel alsof hun lichaam een soort muur gecreëerd heeft zonder deur, zonder sleutelgat, waarmee ze de binnenwereld van de buitenwereld willen scheiden. Het lijkt wel alsof de binnenwereld eeuwig op slot zit, gevangen in een vorm. Hoe kan ik mij verhouden tot de buitenwereld-mensen zonder mijn eigen binnenwereld te ontkennen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s